Er is veel kennis beschikbaar over randvoorwaarden, succes- en risicofactoren voor participatieve interventies in het veiligheidsdomein. Op deze pagina staan de belangrijkste inzichten. We hebben ze ingedeeld op basis van de manier waarop de interventie werkt. Daarmee zijn de inzichten gemakkelijk te koppelen aan de praktijkvoorbeelden die in deze publicatie worden genoemd. De lessen zijn als volgt gecategoriseerd:

Eerst bespreken we in algemene (generieke) zin de belangrijkste randvoorwaarden en ‘lessons learned’ voor participatieve interventies. Daarna doen we hetzelfde voor ieder van de categorieën interventies.

Waar moet ik altijd rekening mee houden?

Randvoorwaarden

  • Onderdeel van een integrale aanpak: Participatieve interventies zijn alleen van meerwaarde, wanneer de andere sporen op het gebied van veiligheidsbeleving ook goed zijn afgedekt. Als het overheersende beeld is dat ketenpartners niet ‘presteren’ op hun kerntaken, maakt dat het buitengewoon lastig om mensen mee te krijgen in het soort interventies dat hier centraal staat. Zie ook: Hoe werkt veiligheidsbeleving?
  • Sociaal weefsel in de wijk: De interventies die we hier bespreken zijn vrijwel allemaal participatief van aard. Dat betekent dat inwoners van een buurt of wijk in meer of mindere mate zelf een rol spelen in de aanpak. Het is daarom belangrijk om verder te bouwen op sociaal weefsel dat al in een buurt of wijk aanwezig is. Om hiervan een inschatting te maken, biedt de participatieladder een goed denkkader.
  • Lessons learned

    • Wees flexibel: Investeer in de mogelijkheid om buiten bestaande paden te treden. Benader vraagstukken niet vanuit de eigen organisatie, maar verplaats je in het perspectief van de burgers die betrokken zijn bij een interventie. Flexibel zijn betekent open staan voor onverwachte aanpakken, oplossingen en weerstanden.
    • Wees een betrouwbare partner: Het is buitengewoon belangrijk dat gemeenten, politie en andere ketenpartners laten zien dat ze een betrouwbare partner zijn. Immers: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. Dat houdt onder andere in dat ketenpartners hun afspraken nakomen, zich zorgzaam opstellen en signalen vanuit burgers serieus nemen, en deze met vertrouwen en waardering tegemoet treden.
    • Voorkom onrealistische verwachtingen: Het temperen van verwachtingen kan op de korte termijn tot teleurstelling leiden, maar zorgt op de lange termijn voor vertrouwen bij burgers. Onderdeel hiervan is ook om helder te zijn over hetgeen burgers kunnen verwachten van de ketenpartners. Streef met andere woorden naar een heldere taakverdeling tussen ketenpartners en participanten.
    • Stimuleer bottom-up initiatieven: Initiatieven zijn vaak effectiever als deze vanuit de burger geïnitieerd worden. Is het initiatief tot een nieuw project niet afkomstig uit de buurt, dan is het zaak zo snel mogelijk buurtbewoners te betrekken.
  • Streef naar representativiteit: Representativiteit van deelnemers is vaak een probleem bij participatieve initiatieven. Het zijn immers vaak dezelfde mensen die tot een initiatief komen. Als het niet haalbaar is om bij de aftrap van een project een brede samenstelling te bewerkstelligen, is het zaak om hier op een later moment – wanneer een project enige massa heeft – alsnog aandacht aan te besteden. Door representativiteit in de deelnemerspopulatie ontstaat meer legitimiteit en draagvlak. Daarnaast rust het project niet meer op één of enkele ‘drijvende krachten’. Dat maakt het mogelijk om gemaakte afspraken te bestendigen.
  • Zet sleutelfiguren in: Sleutelfiguren uit de wijk kunnen een belangrijke rol spelen in het opzetten en draaien van een initiatief. Zij vormen de schakel met groepen die wellicht slecht bereikbaar zijn en draagvlak creëren (naar het idee van bonding, bridging en binding van Robert Putnam, 2000).
  • Buurt- of wijkniveau niet altijd de juiste schaal: Participatieve initiatieven worden vaak gestart op buurt- of wijkniveau. Hoewel dit een begrijpelijke keuze is, sluit dat niveau lang niet altijd aan bij de leefwereld van inwoners. De leefwereld van burgers kan verschillen per vraagstuk en ligt in sommige gevallen op het snijvlak van verschillende wijken en buurten. Bij het opstarten van een nieuw initiatief is het dan ook zaak om de eigen geografische afbakening te spiegelen aan de leefwereld van de inwoners.
  • Lessen voor signaleren, bemiddelen en uitvoeren

    Burgers functioneren bij dit soort interventies als de ogen en oren van de buurt. De mate waarin zij interveniëren verschilt. Bij buurtbemiddeling-achtige interventies zijn burgers de partij die anderen direct aanspreken op hun gedrag of bemiddelen bij conflicten. Het doel is het verbeteren van de sociale veiligheid en -cohesie. Bij buurtpreventie is de rol van burgers meer signalerend en interveniëren zij weinig.

    Verdachte situaties worden doorgegeven aan de politie. Het doel is het vergroten van de veiligheid en het terugdringen van criminaliteit. Voorbeelden van interventies in deze categorieën zijn buurtpreventie, what’s app groepen en buurtbemiddeling.Voor praktijkvoorbeelden in deze categorieën, klik hier.

    • Heldere kaders/taakverdeling: Bij dit type interventies ligt het zwaartepunt van de interventie in de regel bij de burger. Omdat burgers geen opgeleide professionals zijn, is het zaak om heldere kaders te stellen aan een interventie. Hiermee wordt helderheid geschept over het domein van de burger, en het domein van de ketenpartners. Is hier geen aandacht voor, dan bestaat het risico dat deelnemers voorbij gaan aan hun mandaat en in het ergste geval voor eigen rechter spelen. Dat is niet alleen onwenselijk, maar stelt betrokkenen bovendien bloot aan aanzienlijke risico’s.
  • Scherp zijn op de lokale sociale context: Voor projecten waarbij burgers zelf lichte interventies uitvoeren, zoals bij buurtpreventie en buurtbemiddeling het geval is, geldt dat de lokale sociale context een minimale ruimte moet bieden aan de interventie. Dat betekent niet dat de hele buurt moet staan te springen om een buurtpreventieteam. Burgers moeten de leden van het team echter niet het werk onmogelijk maken. Er zijn voorbeelden bekend waarbij deelnemers van buurtpreventieteams hun buurtgenoten niet durfden aan te spreken op hun gedrag, uit angst voor represailles. In dergelijke gevallen is de situatie wellicht nog niet rijp voor een participatieve aanpak.
  • Geen te grote of complexe problematiek: Wanneer burgers zelf optreden in het veiligheidsdomein is het van belang om de nadruk te leggen op relatief simpele en behapbare problematiek (bijvoorbeeld over afval of omgang met elkaar). Richten de interventies zich op meer complexe uitdagingen, dan bestaat het risico dat de deelnemers buiten hun mandaat treden, of zich verliezen in de problematiek.
  • Lessen voor meedenken, co-creatie en organiseren

    Burgers dragen bij aan de ontwikkeling van hun eigen buurt. Dat kan door invloed te nemen op de ontwikkeling van de (fysieke) leefomgeving, maar ook door mee te denken over de inrichting van het veiligheidsbeleid. Veel van de projecten hebben net zo goed betrekking op leefbaarheid, als op veiligheidsbeleving.

    Voor praktijkvoorbeelden in deze categorieën, klik hier.

    • Basis op orde: Projecten waarbij buurtbewoners zelf meedenken en/of mee-organiseren, hebben vaak tot doel om de leefbaarheid en sociale cohesie te verbeteren. Via die weg wordt geprobeerd een positief effect op de veiligheidsbeleving te bewerkstelligen. Dergelijke projecten hebben alleen een kans van slagen als de basale fysieke veiligheid op orde is. Ook hier geldt dus dat er bij het opstarten van een participatief project oog moet zijn voor alle sporen die van invloed zijn op veiligheidsbeleving. Zie ‘Hoe werkt veiligheidsbeleving’.
    • Integraliteit: Projecten om de leefbaarheid of sociale cohesie in een wijk te verbeteren winnen aan effectiviteit (en positief effect op veiligheidsbeleving) wanneer ze onderdeel uitmaken van een bredere aanpak om een buurt of wijk verder te helpen. Een voorbeeld hiervan is een burgerinitiatief waarbij mooie muurschilderingen worden aangebracht op grauwe flats. Het project won aan effectiviteit doordat de gemeente de gelegenheid aangreep om ook andere verbeteringen aan te brengen in de omgeving van de flat.
    • Verwachtingenmanagement: Bij verschillende initiatieven in deze categorie mogen buurtbewoners een door de gemeente beschikbaar gesteld bedrag besteden, of meedenken over de manier waarop het geld moet worden ingezet. Daarbij is het aan de ene kant zaak om (als ketenpartner) een flexibele houding aan te nemen, maar is het ook van belang om helder te zijn over de kaders en randvoorwaarden die gelden bij de besteding van deze middelen. Onduidelijkheid hierover kan leiden tot cynisme en een gebrek aan vertrouwen tussen burgers en ketenpartners.
  • Representativiteit buurtorganisatie: Bij initiatieven waarbij burgers meedenken en -beslissen over de inzet van publieke middelen, dient extra aandacht te worden gegeven aan representativiteit. Immers: beslissingen zijn niet zelden ook van invloed op mensen die niet betrokken waren bij het beslissingsproces. Wat voor de een overlast is, is dat vaak niet voor de ander.
  • Er zijn grenzen aan participatie: Participatie is geen doel op zich. Het is zaak om scherp te blijven nadenken over de onderwerpen waarover burgers worden gevraagd om mee te denken en organiseren. Met name rondom ‘hardere’ veiligheidsvraagstukken kan het zijn dat professionals simpelweg beter geëquipeerd zijn om het onderwerp op te pakken. Ook hierbij biedt de participatieladder een waardevol denkraam.
  • Oog hebben voor bureaucratische belemmeringen: Bij projecten waar burgers zelf meedenken en mee-organiseren, komt het niet zelden voor dat er ongebruikelijke ideeën en voorstellen komen bovendrijven, die buiten bestaande bureaucratische kaders vallen. In dergelijke gevallen is het aan de overheid om vertrouwen te tonen en ‘los te laten’, mits het een inhoudelijk goed initiatief is.
    Daarbij is het ook van belang te voorzien in een ruime mandatering van professionals, en regelgeving zo flexibel mogelijk in te richten. Bijvoorbeeld door te werken met een aantal breed toepasbare criteria voor burgerinitiatieven.

  • Lessen voor verbinden en prioriteren

    Bij verbinden en prioriteren draait het – nog meer dan bij de andere sporen – erom om de veiligheidsbeleving te verbeteren door communicatie anders (en beter) in te zetten. Voor bijna alle interventies die in deze publicatie worden behandeld geldt namelijk dat communicatie een van de belangrijkste – zo niet dé meest belangrijke – factor is om een positief effect op de veiligheidsbeleving te bewerkstelligen. Binnen deze categorie richten we ons specifiek op interventies die nieuwe of betere verbindingen tussen burgers onderling of met ketenpartners tot stand willen brengen.

    Interventies dus, die primair gericht zijn op communicatie. Hierbij gaat het om initiatieven als de Twitterende wijkagent of de inzet van besmettingsbrieven, maar ook minder voor de hand liggende initiatieven als de opkomst van het pop-up politiebureau komen aan bod.

    Voor praktijkvoorbeelden in deze categorieën, klik hier.

    • Communicatieparadox: Meer communicatieve aandacht voor veiligheid kan het paradoxale effect hebben dat men zich minder veilig voelt. Communicatie over onveilige situaties maakt mensen bewuster van veiligheidsrisico’s, en kan daarom tot gevolg hebben dat mensen zich onveiliger voelen. Er zijn verschillende manieren om dit effect tegen te gaan:
      • Besteed in communicatie altijd aandacht aan een copingstrategie. Dit wil zeggen: heb niet alleen aandacht voor de risico’s waaraan mensen worden blootgesteld, maar geef ze ook een handelingskader voor hoe hiermee om te gaan. Dit komt de self-efficacy (het besef dat je invloed kan nemen op je eigen situatie) van mensen ten goede.
      • Communiceer niet alleen over (on)veiligheid, maar besteedt aandacht aan andere, lokale onderwerpen. Positief nieuws mag ook.
      • Communiceer alleen over een veiligheidsincident wanneer a) het waardevolle informatie is voor burgers of b) burgers een bijdrage kunnen leveren aan de afhandeling van het incident.
    • Koester fysieke zichtbaarheid: De dominantie van digitale communicatiemiddelen draagt het risico in zich dat de fysieke afstand tussen burgers een ketenpartners steeds groter wordt. Voor vertrouwen tussen burgers en ketenpartners, en positief gevoel van veiligheidsbeleving blijft direct contact buitengewoon belangrijk.
  • Laagdrempelig: Probeer zo veel mogelijk laagdrempelig contact tussen burgers en ketenpartners te creëren. Positief ontvangen voorbeelden die hierop inspelen zijn het Pop-up Politiebureau, waarbij een tijdelijk politiebureau middenin de wijk wordt geopend, en Bankjesdag, een variatie hierop waarbij een team van ketenpartners met een picknicktafel in de buurt te vinden is.
  • Afzenderschap, nabij is beter: Bij het inzetten van communicatie om veiligheidsbeleving te verbeteren is het buitengewoon belangrijk om aandacht te hebben voor afzenderschap. Hierbij is de stelregel: ‘nabij beter is’. Naarmate een afzender dichterbij (tastbaarder) is, is er een kleiner risico op misinterpretatie van de boodschap.
  • Kracht van herhaling: Verschillende initiatieven maken in hun communicatie gebruik van de kracht van herhaling. Hierbij wordt ieder incident aangegrepen om een boodschap opnieuw onder de aandacht te brengen, of wordt de start van een project of opening van (bijvoorbeeld) een park aangegrepen om ontwikkelingen in het veiligheidsdomein nogmaals onder de aandacht te brengen.
    Het voordeel van een dergelijke aanpak is dat mensen bij een veiligheidsincident snel een handelingskader krijgen aangereikt. De aanpak draagt ook het risico in zich dat gepercipieerde risico’s verder worden uitvergroot (de communicatieparadox).
  • Geef burgers de mogelijkheid om te reageren. In het geval van het Buurt Bestuurt Communicatiesysteem (en wellicht ook andere typen communicatiesystemen) is het niet mogelijk voor burgers om direct te reageren. Dit wordt door burgers ervaren als een gemiste kans in het doorgeven van informatie.