Nederland is aanzienlijk veiliger geworden de afgelopen jaren. Dat blijkt onder andere uit de terugloop van het geregistreerde slachtofferschap en het aantal vermogens-, gewelds- en vandalismedelicten (veiligheidsmonitor 2015, grafiek 1). Het lijkt dan ook vanzelfsprekend dat Nederlanders hun omgeving de afgelopen jaren als (aanzienlijk) veiliger zijn gaan ervaren. Uit de veiligheidsmonitor blijkt dat dit echter niet het geval is. 
Er is wel sprake van een verbetering van de veiligheidsbeleving (subjectieve veiligheid), maar deze blijft sterk achter bij de verbetering van de feitelijke (objectieve) veiligheid in ons land. Hoe dat kan, leggen we hieronder uit. We laten zien dat de veiligheidsbeleving van mensen is opgebouwd uit allerlei factoren, en wordt beïnvloed door veel meer dan objectieve veiligheid alleen.

 


 

Grafiek 1 – Ontwikkeling van onveiligheidsgevoelens ten opzichte van vastgestelde delicten. De ontwikkeling van onveiligheidsgevoelens blijft achter bij de positieve ontwikkeling van objectieve veiligheidsindicatoren. (bron: Veiligheidsmonitor 2015)

Grafiek 2 – Ontwikkeling van onveiligheidsgevoelens ten opzichte van ondervonden criminaliteit. Ook hier blijft de positieve ontwikkeling van onveiligheidsgevoelens sterk achter bij de ondervonden criminaliteit. (bron: CBS Statline)


 

Subjectieve en objectieve veiligheid
In grafiek 1 en 2 laten we zien hoe de afname van onveiligheidsgevoelens sterk achterblijft bij de afname van zowel het aantal vastgestelde delicten (door de politie), als de hoeveelheid ondervonden criminaliteit (door burgers). Grafiek 1 laat zien dat vandalisme, slachtofferschap en vermogensdelicten in de periode 2006-2014 stuk voor stuk met minimaal 27 procent zijn afgenomen. In dezelfde periode namen de onveiligheidsgevoelens met 15 procent af.

Het beeld dat veiligheidsgevoelens achterblijven bij “reële ontwikkelingen” wordt verder versterkt wanneer we kijken naar grafiek 2. Het aantal ondervonden delicten nam in dezelfde periode met maar liefst 33 procent af. Voor het zelf gerapporteerde slachtofferschap geldt een afname van 28 procent. Ook deze cijfers staan in schril contrast met de eerder genoemde 15 procent afname in onveiligheidsgevoelens.

Hoewel de cijfers dus aantonen dat de geregistreerde criminaliteit de afgelopen 10 jaar is afgenomen in Nederland, voelen veel inwoners dit zeker niet zo. Veiligheidsbeleving laat zich – zo blijkt – niet alleen verklaren door ‘objectieve’, meetbare veiligheid. Zij is het resultaat van een complexe veelheid aan factoren die gezamenlijk aan de basis staan van de risicoperceptie van burgers.

Opbouw van veiligheidsbeleving
Hoe kunnen we dan wel de veiligheidsbeleving van mensen verklaren? Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) vergelijkt veiligheidsbeleving met een dikke kabel, opgebouwd uit een grote hoeveelheid verschillende strengen en draadjes. Voorbeelden van deze ‘strengen’ zijn:

  • De nabijheid van verschijnselen die als onveilig worden ervaren;
  • Persoonlijke eigenschappen (is iemand angstig aangelegd?);
  • De manier waarop politie en gemeente hun werk doen;
  • Het voorkomen (onderhoud, netheid, etc…) van de wijk.

Om inzicht te krijgen in de opbouw van veiligheidsbeleving, trekken we deze uiteen en clusteren we de verschillende aspecten in drie sporen.

  1. Gegeven factoren
    Onder ‘gegeven factoren’ verstaan we alle factoren waar burgers en overheid geen invloed op hebben. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om persoonlijke eigenschappen (angstig of niet), de buurt waarin iemand woont, het

sporen-veiligheidsveleving-page-1

aantal keren dat iemand slachtoffer is geweest van criminaliteit en brede verschijnselen als ‘maatschappelijke polarisatie’. Stuk voor stuk factoren die van invloed zijn op de veiligheidsbeleving van een persoon. Maar deze factoren zijn niet – of alleen met buitengewoon veel inspanningen – te beïnvloeden door de overheid.

2. Kerntaken van de overheid
Ook belangrijk voor veiligheidsbeleving is de manier waarop de overheid haar kerntaken uitvoert. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de omgang met incidenten, de responsiviteit en zorgvuldigheid van ketenpartners, de ervaren ‘procedurele’ rechtvaardigheid en het aansluiten bij en delen van emoties met slachtoffers van criminaliteit. Het gaat – kortom – om de manier waarop de overheid haar taken uitvoert. We kunnen stellen dat wanneer de overheid op een technisch effectieve en vertrouwenwekkende manier haar taken uitvoert, dit een positief effect heeft op de veiligheidsbeleving.

3. Beïnvloedbare context
Het derde spoor heeft betrekking op beïnvloedbare factoren, die buiten de kerntaken van de overheid liggen. Voorbeelden hiervan zijn de sociale cohesie in een buurt, het groepszelfbeeld en de aanblik van een buurt of wijk. Ook de mate waarin mensen ervaren dat ze invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving (public self efficacy) speelt mee. Op dit derde spoor leggen we in dit onderzoek de nadruk. Hieronder gaan we er verder op in.


Beïnvloedbare context en veiligheidsbeleving

In deze publicatie richten we ons op de manier waarop gemeenten, politie en andere ketenpartners, samen met burgers invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving (de beïnvloedbare context). De staat van de omgeving kan namelijk van grote invloed zijn de veiligheidsbeleving van bewoners. Er is een enorme diversiteit aan praktijkvoorbeelden die hiermee aan de slag gaan. Vaak hebben ze betrekking op thema’s als sociale cohesie of leefbaarheid. Enkele voorbeelden zijn projecten als buurtvaders, buurtpreventie, de adoptie van afvalcontainers door burgers, het pop-up politiebureau en de ‘schoolwacht’. Veelal hebben de projecten geen directe betrekking op veiligheid, maar oefenen ze juist ‘via de band’ invloed uit op veiligheidsbeleving. Om deze interventies te ordenen, kijken we naar de volgende aspecten:

  • Op welke manier werkt de interventie?
  • Op welk fenomeen richt de interventie zich?
  • Hoeveel burgerparticipatie vergt de interventie?

Op de pagina op welk type interventie(s) zet ik in?, gaan we verder in op de bovenstaande drie vragen.

Hoe nu verder?
We hebben nu inzicht in de factoren waaruit veiligheidsbeleving is opgebouwd. Om daadwerkelijk aan de slag te gaan met het verbeteren van veiligheidsbeleving, hebben we nog inzicht nodig in het volgende:

  1. Hoe weet ik op wat voor type interventie ik moet inzetten?
  2. Waar vind ik voorbeelden van projecten/initiatieven die in mijn context effectief in te zetten zijn?
  3. Met welke lessen uit het verleden (do’s and dont’s) moet ik rekening houden bij het opzetten van een nieuw initiatief?